Hoe zet je het perfecte kopje thee

Pylones waterkoker, Jamie Cheeky mug, House doctor theekopje, t-sacSinds deze vakantie ben ik echt helemaal over op losse thee, eerst al met het pakket wat ik bij Theegenot heb gewonnen en daarna met de smaakjes die ik tijdens mijn vakantie heb gekocht. Lekker veel variatie qua smaakjes. Op het plaatje zie je mijn “thee ritueel”. Water kook ik in een Pylones waterkoker, thee drink ik in mijn Jamie Oliver cheeky mug of in het theekopje van House Doctor. De thee doe ik in zakjes van T-sac, want in die thee-eieren en thee-klemmen bleef er maar rooibos naaldjes en ander spul uit komen, zodat je je thee wel voorzichtig moest drinken om al die prut niet naar binnen te krijgen. T-Sac is dus echt een uitvinding. Waar ik wel op zoek naar was is hoe je het perfecte kopje thee moet zetten. Dat doe je op deze manier:

Thee zetten:
Verwarm je theekopje (en als je een theepot gebruikt) door het om te spoelen met warm water. Laat het water kort koken, anders verliest het zuurstof en wordt het daardoor vlak van smaak. De verschillende theesoorten hebben een andere behandeling nodig qua “opgieten” en het “trekken” van de thee:

Groene Thee
Gebruik voor groene thee water van 70 tot 80 graden. Laat het 2 tot 3 minuten trekken en gebruik 1 tot 2 theelepels per kopje.

Kruidenthee
Gebruik voor kruidenthee water wat net van de kook af is. Laat het 8 tot 10 minuten trekken en gebruik 2 tot 3 theelepels per kopje.

Oolong thee
Gebruik voor oolong thee water van 80 tot 90 graden. Laat het 2 tot 4 minuten trekken en gebruik 2 tot 3 theelepels per kopje.

Rooibos thee
Gebruik voor rooisbos thee water wat net van de kook af is. Laat het 6 tot 8 minuten trekken en gebruik 1 tot 2 theelepels per kopje.

Vruchtenthee
Gebruik voor vruchtenthee water wat net van de kook af is. Laat het 8 tot 10 minuten trekken en gebruik 1 tot 2 theelepels per kopje.

Witte Thee
Gebruik voor witte thee water van 70 tot 80 graden. Laat het 2 tot 3 minuten trekken en gebruik 1 tot 2 theelepels per kopje.

Zwarte Thee
Gebruik voor zwarte thee water wat net van de kook af is. Laat het 2 tot 4 minuten trekken en gebruik 1 theelepel per kopje.

A

Aanbaksels: Bij het braden van vlees zetten zich eiwitdeeltjes op de bodem van de pan vast. Bij het maken van een saus of jus wordt een koede vloeistof aan de pan toegevoegd (blussen) waardoor de bodem van de pan ‘schrikt’. De aanzetsels kunnen vervolgens met een houten spaan van de bodem worden losgeroerd. Hierdoor ontstaat de donkere kleur van jus.

Aanbraden – Dichtschroeien: Dit is het in hete boter of andere vetstof verhitten van vlees, wild of gevogelte zodat het een mooi bruin korstje krijgt.

Aanlengen: Aanlengen is het toevoegen van een hoeveelheid vloeistof (bouillon, melk of water) aan soepen, sauzen of gerechten die een te overheersende smaak hebben, om deze af te zwakken. Of een te dikke saus of soep dunner maken. Of aan te sterk gekruide gerechten kokosmelk, room of suiker toe te voegen

Aanzetten: Het verhitten en eventueel lichtbruin laten kleuren van ingredienten in boter of olie word aanzetten genoemd.

Abricoteren: Het bestrijken met warme gezeefde abrikozenjam of andere jam.

Afblussen – Deglaceren: Afblussen of ook wel deglaceren is het toevoegen van een vloeistof aan gebakken of gebraden voedsel of aan de in de pan achtergebleven aanbaksels.

Afgieten: Het weggieten van kookwater van bijvoorbeeld aardappels of groenten. Soms wordt het kookvocht opgevangen om een sausje mee te maken.

Afkoelen: Het koud laten worden van een bereiding.

Afmaken: Afmaken is de term die gebruikt wordt voor de laatste handeling voordat het gerecht op tafel komt. Het controleren en zonodig corrigeren van de smaak.

Afschuimen: Afschuimen betekent het met een schuimspaan het schuim van de oppervlakte scheppen, met name bij bouillons.

Al dente / beetgaar is een stadium van gaarheid waarbij het voedsel enige stevigheid behoudt. De term word vaak gebruikt bij bereiding van pasta (al dente) en groenten (beetgaar).

Amuses: Kleine hapjes voorafgaand aan de maaltijd.

Aromaten: Smaakstoffen zoals geurige kruiden en dergelijke.

Arroseren: Het bedruipen en begieten tijdens het bakken.

Aspic: Aspic is een stevige, heldere gelei gemaakt van sterk ingekookte bouillon met doorgaans gelatine.

Assaisonner: Kruiden, op smaak brengen van spijzen.

Au bain-marie: Au bain-marie is het verwarmen van ingredienten in een kom die boven of in een pan met heet of zachtjes kokend water wordt gezet. Dit wordt toegepast bij ingredienten en mengsels die geen hoge temperaturen kunnen verdragen en bij rechtstreekse verwarming zouden schiften. Een goed voorbeeld hiervan is chocolade.

B

Bakken: Bakken is het bereiden van gerechten in boter, olie of een andere vetstof, in een open pan op een hoog vuur. Het betekent ook het bereiden van deeg of beslag in de oven.

Bakpoeder: Rijsmiddel voor gebak, bestaande uit natriumbicarbonaat en wijnsteen`uur.

Barderen: Barderen is het omwikkelen of bedekken met plakjes spek van het gehele of gedeelte mager vlees, wild of gevogelte die anders te veel zouden uitdrogen.

Barguettes: Schuitjes van deeg of chocolade.

Batons: Groenten die in lange, luciferdunne repen zijn gesneden.

Bavarois: Dessert of basis voor gebak, bestaande uit slagroom, gelatine en een vruchtenpuree of creme.

Beboteren: Beboteren is het invetten met boter van bakvormen, bakplaten, ovenschalen en aluminiumfolie.

Bedruipen: Bedruipen is het tijdens het braden overgieten met braadvocht van vlees, wild of gevogelte met behulp van een lepel.

Beetgaar: Een term die wordt gebruikt voor het koken van ingredienten die een beetje stevig moeten blijven, zoals deegwaren en groenten.

Beslag: Basisbereiding voor gebak, pannenkoeken, frituurbeslag enz.

Beurre Manie: Beurre Manie is een mengsel van gelijke delen bloem en zachte boter. Het wordt gebruikt voor het binden van warme vloeistoffen.

Beurre Noisette: Het boterstadium nasat de boter een tijdje is verwarmd. De vaste bestanddelen en het vet splitsen zich en de boter wordt nootachtig bruin. Vooral gebruikt bij het bakken van vis.

Binden – Bindmiddel: Dikker maken van een vloeistof om er een gebonden saus of soep van te krijgen met behulp van een bindmiddel. Een bindmiddel is dus een product dat wordt gebruikt om sauzen, sopen en puddingen hun gewenste dikte te geven. Je hebt twee soorten bindmiddelen, de zetmeelhoudende bindmiddelen zoals bloem, maizena en aardappelmeel en de niet-zetmeelhoudende bindmiddelen zoals eieren, gelatine en boter.

Bisque: Een gebonden soep op basis van gekruide schaal- of schelpdierenpuree.

Blancheren: Blancheren is het in koud water aan de kook brengen of het in korte tijd in ruim kokend water koken van voedsel en dit vervolgens afgieten en afspoelen met koud water. Dit wordt onder andere toegepast bij orgaanvlees en groenten. Ook het overgieten met kokend water van amandelen om het ontvliezen te vergemakkelijken wordt blancheren genoemd.

Blind Bakken: Het voorbakken van taartbodems met behulp van een blinde vulling van gedroogde peulvruchten of speciale gewichtjes word ook wel blind bakken genoemd. Dit doe je als je een taart maakt waarvan de vulling eerder gaar zou zijn dan het deeg of bij taarten waarvan de vulling niet wordt meegebakken.

Blussen: Het toevoegen van vetvrij vocht aab heet braad- of bakvet.

Bouillabaisse: Franse vissoep gemaakt van meerdere vissoorten en kruiden.

Bouillon: Bouillon is een aromatische vloeistof gemaakt van vlees, gevogelte, vis en/of groenten en kruiden.

Bouquet Garni: Bouquet Garni betekent kruidenboeketje. Meestal bestaat het kruidenboeketje uit een takje tijm, een paar takjes peterselie en een laurierblaadje. Soms wordt het aangevuld met andere kruiden. Het geheel wordt met een touwtje bijeen gebonden. Dit is zo zodat je het makkelijk kan verwijderen tijdens of aan het einde van de bereiding. Je gebruikt het vooral bij het maken van bouillons en stoofschotels.

Braden: Braden is het bereiden van vlees, wild of gevogelte in boter of een andere vetstof in een open pan of gedeeltelijk open pan op een laag of matig hoog vuur of in een braadslee in de oven.

Braiseren: Het smoren van vlees, wild en groenten.

Brideren: Het met keukendraad in vorm opbinden van bijvoorbeeld gevogelte.

Bruineren: Bruineren is het bruin laten kleuren van voedsel in een droge pan van bijvoorbeeld zaden of noten. Het bruineren gebeurt soms ook in een pan met boter of een aandere vetstof (bijvoorbeeld bloem voor een bruine roux, uien)

Brunoise: In brunoise snijden is het in piepkleine blokjes snijden van groenten of andere ingredienten.

C

Caisse: Een papieren vorm waar gebak, een hapje of bonbon in kan worden geserveerd.

Canneleren: Canneleren wil zeggen het aanbrengen van een ribbelpatroon in (de schil van) groenten en vruchten.

Carameliseren: Het smelten en bruin laten worden van suiker.

Chapelure: Gedroogde, gezeefde broodkruimels.

Chiffonnade: In zeer fijne reepjes gesneden mint, zuring of witlof.

Clarifieren – Klaren: Clarifieren of ook wel klaren genoemd is het helder maken van bouillons of het verwijderen van eiwitbestanddelen uit boter.

Clafoutis: Taart gemaakt van flensjesdeeg, traditioneel gevuld met zwarte kersen. Tegenwoordig kan deze vulling zowel zoet als hartig zijn.

Confit: Zowel een langzaam bereidingsproces van in vocht ondergedompelde ingredienten als het gaar maken van eend of gans in eigen vet.

Consomme: Een Consomme is een krachtige door klaren verkregen glasheldere bouillon.

Coulis: Een vloeibare puree.

Court-Bouillon: De Court-bouillon is een aromatische lichtaangezuurde vloeistof die is verkrgen door groenten, kruiden en soms vissenkoppen en vissengraten zachtjes te laten trekken in water waar een scheutje wijn, azijn of ciroensap wordt toegevoegd. Dit wordt onder andere gebruikt voor de bereiding van vis en schaal- en schelpdieren.

D

Darnes: Middenstuk van een grote rondvis. 

Daube: Een bereidingswijze die wordt gebruikt om taai vlees mals te maken.

Deeg: Kneedbare grondstof voor divers gebak en/of brood, minstens bestaande uit een meelsoort en een vloeibaar component.

Deglaceren: Het met vocht oplossen van het vleesaanzetsel na het bakken.

Degraisseren: Het ontvetten van bijvoorbeeld sauzen en soepen.

Dichtschroeien: In hete margarine of olie snel verhitten van vlees of gevogelte met de bedoeling de eiwitten aan de buitenkant zo snel mogelijk te laten stollen, zodat het sap in het vlees blijft.

Dresseren: Aankleden/opmaken van schotels.

Dressing: Saus die wordt gebruikt voor het op smaak brengen van een gerecht.

Duxelles: Duxelles is een mengsel van fijngehakte ui en champignons dat al roerende wordt verhit tot al het vocht eruit verdampt is. Dit wordt onder andere gebruikt  als (onderdeel van) een farce.

Droogstomen: Het in een open pan laten verdampen van vocht uit groenten, rijst en aardappelen.

E

Eau de vie: Letterlijk betekent het levenswater. Door distillatie van vergiste vruchten verkregen sterke drank.

Emulsie: Emulsie is een mengsel van twee vloeistoffen die elkaar van nature afstoten zoals bijvoorbeeld olie en azijn. Een emulsie wordt verkregen door de beide vloeistoffen goed door elkaar te kloppen en eventueel een derde stof, zoals bijvoorbeeld mosterd of een eierdooier toe te voegen.

Emulgeren: Ingredienten mengen tot een samenhangende vloeistof.

En papillote: Een gerecht inpakken in vetvrij papier of folie om het te bereiden in de oven of een stoommandje.